Het referendum bood hun voor het eerst de gelegenheid om hartgrondig 'nee' te zeggen
tegen al die Euro-academici. Het Europese project past in een bredere trend in een
aantal westerse democratieën: de geleidelijke verandering in de afgelopen eeuw van
de representatieve democratie in een diplomademocratie. Met dat laatste bedoel ik
een democratie waarin burgers beduidend meer feitelijke politieke invloed hebben naarmate
hun opleidingsniveau, gemeten in termen van hun hoogst behaalde diploma, hoger is.
Minder academisch uitgedrukt: in een diplomademocratie is de macht aan de hoogst gediplomeerden.
Dat hoogopgeleide burgers beduidend meer politieke invloed hebben dan laagopgeleide
burgers, is op zich geen nieuws.
De diplomademocratie, waarin een hoog opgeleide participatie-elite het politieke spel
beheerst en in de juiste netwerken opereert, is de politieke pendant van de meritocratie.
Dit is de maatschappijvorm volgens het principe dat individuele verdiensten bepalend
moeten zijn voor de hoogte van het inkomen en de maatschappelijke status van burgers.
Het meritocratische ideaal is egalitair, omdat het zich keert tegen de standenmaatschappij
waarin afkomst en bezit de maatschappelijke rangorde bepaalden. Iedereen heeft immers
gelijke kansen op een goede opleiding en een daarmee corresponderende goede baan.
De meritocratie is tegelijkertijd een appèl en een belofte: wie getalenteerd is en
zijn best doet, kan vooruit komen.
Ze maakt de denkfout dat diplomademocratie alleen over het opleidingsniveau van het
parlement zou gaan. Dit is niet zo. Het is een goed gevonden term voor het feit dat
de belangen van het hoger opgeleide en rijkere deel van Nederland beter worden behartigd
dan die van de rest, omdat de leden van het parlement voor het merendeel behoren tot
de eerste groep.