Wim Hullegie en Paul Helders bepleiten, zoals ik het maar samenvat, een model voor
de fysiotherapie dat nadrukkelijk voor het behandelen niet alleen uitgaat van het
stoornisdenken.
Hulpverleners in de jeugdzorg zien kinderen en jongeren met concentratieproblemen,
angstklachten, woedebuien, dwangverschijnselen, langdurig schoolverzuim, eetproblemen,
middelenmisbruik, automutilatie, somberheid, verwardheid. [...] Als ze met hun kinderen
bij de psycholoog of psychiater komen, is hun eerste vraag vaak: Wat is er mis met
mijn kind? Heeft het ADHD? Autisme? Iets anders? Ook jongeren die zelfstandig komen,
willen vooral één ding heel graag weten: welke stoornis heb ik? Met die vraag gaan
hulpverleners aan de slag. Ze stellen vragen en pakken hun dikke 'stoornissenboek'
erbij: de DSM, het handboek voor de psychiatrie dat ongeveer 350 symptoombeschrijvingen
(classificaties) bevat die allemaal een naam ('label') hebben. Met deze labels wordt
kwistig gestrooid en daarin zijn hulpverleners de enigen niet. Ook leerkrachten, coaches,
ouders en jongeren zijn er behoorlijk bedreven in. Het stoornisdenken heeft zich als
een olievlek in onze maatschappij verspreid, en dat moet stoppen.
Het is een goede zaak dat problemen sneller ontdekt worden dan vroeger. Alleen heeft
dit ook een keerzijde. We plakken soms te snel labels op kinderen, ook als dat helemaal
niet nodig is. Het label wordt een stuk van de identiteit van het kind. Veel factoren
rondom het kind zorgen ervoor of een kind als 'normaal', 'lastig' of 'bijzonder''
gezien wordt. Stoornissen leggen 'de schuld' en 'de oplossing' allebei eenzijdig bij
de 'gestoorde' of 'gelabelde', in dit geval het kind. De vragen die je jezelf zou
kunnen stellen, zijn: waarom heb ik last van dit gedrag? Hoe kan ik dit kind helpen?
In deze training krijgen pedagogisch professionalsen leerkrachten inzicht in de visie
van Ron Baars over stoornisdenken en gaan we met elkaar in gesprek.